U bent hier: Home / Vrije tijd / Cultuur / Musea / La Boverie / De verzamelingen / De verzamelingen 'Schone Kunsten van Luik' / Historisch overzicht van de door de Stad Luik verworven stukken / De aankopen van Luik bij de veiling van de ‘ontaarde kunst’ in Luzern

Navigatie

Document acties
De aankopen van Luik bij de veiling van de ‘ontaarde kunst’ in Luzern

De aankopen van Luik bij de veiling van de ‘ontaarde kunst’ in Luzern

Op 30 juni 1939 schreef de kunsthandelaar Theodor Fischer in Luzern een donkere bladzijde in de kunstgeschiedenis van de 20ste eeuw door honderdvijfentwintig ‘meesterwerken uit de moderne kunst’ te veilen die uit de Duitse musea door de regering van het Derde Rijk werden weggehaald. Kunstwerken van grote kunstenaars van toen, die door de nazistische ‘denkers’ als ‘ontaard’ werden bestempeld. Zestien van de vijfentachtig toegewezen loten kwamen in België terecht, waarvan negen onder de meest waardevolle door de Stad Luik werden aangekocht. Van de Luikse trofeeën vormen ten minste zes werken belangrijke mijlpalen in de productie van hun auteurs: La maison bleue (het blauwe huis) van Marc Chagall, La Mort et les Masques (de dood en de maskers) van James Ensor, Le sorcier d'Hiva Oa (de tovenaar van Hiva Oa) van Paul Gauguin, Monte-Carlo van Oscar Kokoschka, Chevaux au pâturage (paarden in de weide) van Franz Marc en La famille Soler (familie Soler) van Pablo Picasso. De andere, Portrait de jeune fille (portret van een meisje) van Marie Laurencin, Le cavalier sur la plage (de ruiter op het strand) van Max Liebermann en Le déjeuner (de lunch) van Jules Pascin zijn op zijn minst kenmerkend voor de stijl van hun schilders.

Deze aankopen waren het resultaat van een bundeling van de krachten in de Vurige stad tussen politici (Auguste Buisseret, Jules Duesberg, Olympe Gilbart), industriëlen (Paul de Launoit, Louis Lepage) en culturele leidersfiguren (Jules Bosmant, Jacques Ochs).

In 1939 leek Luik te herstellen van de schade aangericht in de Grote Oorlog en van de crisis van 1929. Dat jaar stond al in het teken van het internationale seizoen van het Water, van de bouw van het lyceum Léonie de Waha, dat prachtig werd opgeluisterd door een diverse groep Luikse schilders en beeldhouwers, en van het overdekte zwembad van de Sauvenière. De culturele balans van dat rijke jaar werd nog meer verrijkt met de aankoop in Luzern.

In mei 1939 meldde de onderwijzer en kunstcriticus Jules Bosmant, die later aan de leiding stond van het Museum voor Schone Kunsten, de verkoop aan Auguste Buisseret, de liberale schepen bevoegd voor de Schone Kunsten, sinds enige tijd ook senator – zijn verkiezing dateerde van 2 april – en toekomstig minister en burgemeester. Hij kreeg de steun van Jacques Ochs, directeur van de Academie en het Museum voor Schone Kunsten sinds 1934 – en beroemd karikaturist bij Pourquoi pas?. Zeer snel slaagde Buisseret erin een groep mecenassen te overtuigen. Onder de naam van Vrienden van de Luikse Musea en vertegenwoordigd door baron Paul de Launoit, baas van de groep Cofinindus-Brufina-Banque de Bruxelles (tweede holding van het land, na de Société Générale) en de Société Ougrée-Marihaye (paradepaardje van de nationale metaalindustrie) en door ingenieur Louis Lepage, stichter van onder meer de Société belge de l'Azote (Belgisch Stikstofbedrijf) verbonden deze weldoeners zich ertoe de stad de som ter beschikking te stellen van vijf miljoen Belgische frank (het equivalent van ruim 3.800.000 euro vandaag en van 754.774 Zwitserse frank toen) als gift of voorschot. Op basis van een verslag van Jules Bosmant over de schatting en de staat van de werken en van het bemoedigende resultaat van de onderhandelingen met potentiële kopers om ‘de belangensectoren van elkeen af te bakenen en aldus het opbod te matigen en aldus zo weinig als mogelijk de nazi schatkist te verrijken met buitenlandse valuta’ slaagde Buisseret er in extremis op 26 juni zelfs in Jules Duesberg, de nieuwe minister van onderwijs (aangesteld op 16 april) en rector van de Universiteit van Luik, te overtuigen om een nieuwe steun van anderhalf miljoen frank toe te kennen. Uiteindelijk keurde de Gemeenteraad twee dagen voor de verkoop met eenparigheid van stemmen (met inbegrip van vijf rexistische stemmen !) de toekenning goed van een subsidie van 1.750.000 Belgische frank en de definitieve bepaling van de financiële constructie van de operatie: de bijdrage van de Stad vertegenwoordigde 35 % van de uitgaven, met 30 % gegarandeerd door de Staat en 35 % van particuliere mecenassen. Deze laatsten schoten alle nodige sommen voor, zoals aanvankelijk was overeengekomen.

In hun elan trokken Buisseret, Gilbart en Ochs in augustus 1939 naar Parijs, vanwaar ze negen schilderijen meebrachten: Coquillages (schelpen) van James Ensor, Le port d'Anvers (de Antwerpse haven) van Othon Friesz, Paysan au fagot (boer met takkenbos) van Marcel Gromaire, L'Écluse du moulin Bouchardon à Crozant (sluis van molen Bouchardon in Crozant) van Armand Guillaumin, Nu (naakt) van Charles Alexandre Picart Le Doux, Le château de Comblat (het kasteel van Comblat) van Paul Signac, Le moulin de la Galette (de molen van la Galette) van Maurice Utrillo, La violoniste (de vioolspeler) van Kees Van Dongen en Fleurs (bloemen) van Maurice de Vlaminck.

Gezien de kostprijs van deze tweede golf van aankopen (186.231 Belgische frank) bedroeg de theoretische beschikbare reserve nog vier miljoen. Maar na de oorlog konden noch de Stad, noch de Staat een deelneming inschrijven in hun begroting, waardoor er de facto een einde kwam aan het akkoord gesloten met de Vrienden van de Musea.

Inzake cultuurbeleid werd de zinvolheid van de aankopen van 1938 en van 1939 duidelijk aangegeven door de actoren en bevriende journalisten. Auguste Buisseret zei het onomwonden in de toespraak die hij hield bij de officiële voorstelling van de schilderijen van Luzern. Hij wilde de stadscollecties uitbreiden en zijn actie in twee richtingen voeren: de inspanningen van de Luikenaars doorheen de eeuwen in de verf zetten en de ‘moderne kunst van de impressionisten tot de meest recente meesters, vooral die van de school van Parijs’ te verdiepen. Deze twee oriëntaties kwamen eigenlijk samen in één enkele richting: ‘Door van Luik een kunstcentrum te maken dat openstaat voor alle stromingen van de moderne esthetiek, dragen wij onrechtstreeks, maar met een vertienvoudigde doeltreffendheid, bij aan de verhoging van het rendement en de vergrote uitstraling van de levende Luikse school. Wij zullen naar onze muren, onze monumenten en musea, de ateliers van onze kunstenaars, onze concerten en schouwburgen toeristen, nieuwsgierigen en kunstliefhebbers lokken’.

Maar moest men echt de oorlogsschatkist van de nazi’s spijzen? Men dient te onderstrepen dat de initiatiefnemers van de aankopen gedreven werden door een antinazistische motivatie, meer bepaald in de persoon van Jules Bosmant, medeoprichter in Luik van het Comité voor Waakzaamheid van Antifascistische Intellectuelen en van de Liga tegen Racisme en Antisemitisme, en van Jacques Ochs, politiek gevangene in het fort van Breendonk en in 1944 ter dood veroordeeld, en van Auguste Buisseret, de eerste Belgische politicus gearresteerd door de bezetter in 1940. Deze dimensie ontging de lokale pers niet en ze stelde de Luikse aankopen voor als een repliek op ‘een misdaad tegen het denken’. Ook het lot van de ‘ontaarde’ beeldende kunstenaars stond op het spel: ‘U had het effect moeten zien, wanneer een kunstenaar niet werd aangekocht: het was als een terdoodveroordeling’, zei een getuige van de veiling.

 

Jean-Patrick Duchesne
Gewoon hoogleraar aan de Universiteit van Luik

 


Contact : aW5mb0BsYWJvdmVyaWUuY29t